MILOU ABEL

milouabel@gmail.com 

  1. 08-03-2021

    written for a colletberating project at sint lucas antwerpen themed : no men is an island.

    Een man is geen eiland. Dit kan niet want hij is immers niet statische en niet alleen. Elke man is aanwezig in verhouding tot een ander. Ik zie de man, hij staat voor mij. De douche staat aan. Als ik hem vraag zijn hoofd iets omhoog te doen, beweegt hij in zo een kleine beweging dat het nog geen knik is. ‘Ik ga de sproeier pakken en je haar nat maken’. De douche is een instrument dat de man zijn donkeren krullen nat maakt. De badkamer is onze getuigen. Het is namelijk de kamer die deze handeling insluiten en het zijn de aanwezige objecten die als sporen over zullen blijven. Plakkerige pillen naast een plastic potje op de vloer. Hij pakt zijn pillenpotje vast en draait de pillen in het rond. Ik twijfel elke keer weer als ik zijn ritueel bekijk of ik de juiste pillen heb gezet. Het lijkt alsof hij ze checkt. Waarom heb ik eigenlijk geen vergif gegeven? Hij draait ze rond. Een keer, twee keer. De pillen liggen stil. Dan gooit die het pillen in zijn mond. Zijn lippen omsluiten de rand van het potje. Zijn lichaam houdt hem tegen. Het potje valt. Hij kokhals en de pillen druipen van zijn tong op de grond. 

    U moet begrijpen het is eigenlijk net als wasgoed. Niet verfrommeld maar netjes opgevouwen wasgoed. Het ligt daar statische en alleen op een plank aan de muur in diezelfde badkamer. Het opvouwen zou je kunnen zien als een geste. Om vervolgens met gemak een handdoek te kunnen vastpakken. Om niet verfrommelde kleding aan te kunnen trekken om en zo goede indruk achter te laten. Om bij de bezoekers van de badkamer een goede indruk achter te laten. Het wasgoed is een herinnering, gedragen door de plank aan de muur, die op zijn manier ook weer een herinnering is. Ik pak een washand van de plank en schuif deze over mijn eigen hand. Met de washand vol zeep ga ik langs zijn nek, onder zijn oksels van zijn rug naar beneden. Tussen zijn benen wrijf ik de washand nog extra op en neer. De man heeft geplast in zijn bed en daar uren op zijn rug in gelegen. 

    ‘Ik ga nu de sproeier uitdoen’

    Met een handdoek maak ik dezelfde route langs zijn lichaam. Dan geeft hij een knik. Zijn hoofd beweegt op en neer en zijn kin iets naar voor. Ik ga voor zijn gezicht staan. Hij knikt nog een keer. Ik weet dat ik nu moet wachten. In zijn derde knikt spreekt hij zacht ‘Ah Milou…’ Het blijft stil. 

    Het is een foto die in een ogenblik de geste gevangen neemt. Die de geportretteerde tot wachtende maakt. De foto creëren een andere tijd, niet liniaal, niet circulair. Een 60ste van een seconden wordt beladen met belang van gestes die zijn geweest en de betekenissen die we hieraan geven. 

    ‘ Ah Milou,…. als ik tot vijf tel, mag de zetel in de living dan verdwijnen’ terwijl hij dit zegt, kijken zijn ogen dan toch even naar mij.

    En dan, dan wordt de breuk zichtbaar. 

    In de foto valt de breuk niet meer te verdringen. Kijkend naar de foto zie ik pas dat er geen evenbeeld bestaat. De foto’s creëert geen betrokkenen een spiegelbeeld, zelf niet voor de geportretteerde. Je kan het zien als een negatief van het reelen. Een confrontatie met hoe de symboliek die empathie heet niet bestaat. De beelden vertellen me dat elke poging je in te leven in de ander  uiteindelijk vergeefs is. Dat psychisch lijden niet meer is als een sociaal construct. En dat zelfs de keuze iemand te vergiftigen, eigenlijk geen eigen keuze is. Dat de tragiek van de meester een illusie blijkt en ik dus niet meer de dirigent ben van alle instrumenten. Mijn eigen lichaam is de ander. De anti-ander, de anti-kamer. 

    Ik kan enkel nog concluderen dat alle aanwezigen objecten herinneringen zijn die we bijeen kunnen houden door een geloof. Krampachtig bijeen als het opvouwen van het wasgoed. Als het water uit de douche dat een poging doet ons lichaam van onszelf te laten voelen. Als de medicatie in een potje dat ons de een boodschap geeft dat ons lichaam gewoon kan zijn.

    Het zijn al verwoede pogingen is die overblijven. Ik kijk naar de man. Zijn hoofd hangt naar beneden, met zijn armen langs zijn lichaam. Hij is groter dan mij. Zijn ogen wijzen naar zijn onbeweeglijke voeten maar of hij daarnaar kijkt weet ik niet. De man lijdt maar het valt niet te achterhalen. Het lijden zit verborgen in onze eigen vreemdheid. 

    Behoed u van het begrijpen. Totdat de vraag niet meer bestaat wat de ander betekend. En alle mannen op hunnen ruggen drijven in de zee. Donkere krullen in het water en met hun gezichten naar boven. Dobberend voor ze weer eens tegen een ander aanbotsen. 

    Hij spreekt zacht ‘Ah Milou,… als ik tot twaalf tel mag de open plaats in de eetzaal dan verdwijnen.’

©

Built with Berta.me